Archeologisch onderzoek Eindhoven-Oude Toren te Woensel. De opgraving en het onderzoek van de menselijke skeletresten.

Read full text
Authors: Leonie Korthorst, Joeske Nollen, N. Arts, met bijdr. van Nico Arts ... et al., M. Lambregtse, M. van Son
Cited by: 0

Abstract

Op het terrein van de Gemeentelijke Begraafplaats Woensel ‘De Oude Toren’ (gemeente Eindhoven) had men last van verzakkingen in de weg waar de lijkwagens overheen reden. De gemeente besloot tot herbestrating en eventuele fundering van het wegdek. Hierbij zou de archeologische ondergrond deels worden vernietigd. Op deze locatie staat nog een toren die het enige bovengrondse overblijfsel is van de 15e eeuwse Sint-Petruskerk. Binnen het plangebied werden dan ook de overige resten van de bijbehorende 15e eeuwse kerk verwacht, maar ook bijbehorende begravingen en mogelijk nog oudere sporen van bijvoorbeeld een voorganger van de middeleeuwse kerk en de vroegmiddeleeuwse nederzetting waarin de kerk is ontstaan. Daarom is door de gemeente Eindhoven opdracht gegeven het plangebied op te graven voorafgaand aan de herstelwerkzaamheden. De opgraving is uitgevoerd door Bureau Archeologie van de gemeente Eindhoven met hulp van medewerkers van de Stichting ArcheoService, vrijwilligers van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling Kempen- en Peelland en studenten van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Katholieke Universiteit Leuven (België). In totaal is er op 54 dagen opgegraven in de periode tussen 12 juni en 29 augustus 2003. Tijdens het onderzoek naar de Sint-Petruskerk en haar kerkhof zijn in totaal 181 begravingen gevonden, maar ook muurresten van de 15e eeuwse kerk, een aantal paalsporen, kuilen en een knekelkuil. Het overgrote gedeelte van de begravingen lag volgens de christelijke traditie met het hoofd naar het westen begraven. Het bleek, ondanks dat slechts een klein gedeelte van het areaal binnen de kerk is opgegraven, dat de dichtheid van graven buiten de kerk veel groter was dan daarbinnen. Dit is niet zo vreemd want men moest een bepaalde status en rijkdom hebben om zich een plek in de kerk te kunnen veroorloven. Op het kerkhof buiten de kerk zijn zowel mannen, vrouwen als onvolwassenen begraven, in het koor van de kerk lagen alleen volwassenen begraven. Er zijn graven aangetroffen uit de periodes 725-1050, 1050-1400 en 1850-heden. Gedurende de Merovingische tijd (circa 550-725) werden gestorvenen begraven op het erf of in kleine grafvelden, maar vanaf ongeveer 725 (het begin van de Karolingische tijd) ontbreekt het in de regio aan gegevens over het grafritueel. De eerstvolgende archeologische gegevens over menselijke grafvelden dateren uit de 10e en 11e eeuw. Die grafvelden liggen alle rond kerkgebouwen, net zoals die te Woensel. Het vondstmateriaal uit de graven en de Harris matrix geven geen duidelijkheid of de graven gedateerd dienen te worden in de periode 725-900 zodat de leemte aan het begin van de Karolingische tijd opgevuld kan worden. Een aantal graven is alleen in te delen in de periode 725-1050 en kunnen eveneens uit de 10e en 11e eeuw afkomstig zijn. Er zijn vijf typen graven onderscheiden die ook elders in het land gebruikelijk waren rond dezelfde periodes. De verschillende typen zijn als volgt onderverdeeld: boomstamkisten, kisten met open lattenbodem, houten grafkisten, kuilen met antropomorfe vorm afgesloten met een houten deksel en kuilen met antropomorfe vorm zonder deksel. Boomstamkisten, kisten met open lattenbodems en kuilen met antropomorfe vorm kwamen alleen in de twee vroege periodes voor (725-1050 en 1050-1400). In de laatste periode (1850-heden) werden alleen houten grafkisten gebruikt. Houten grafkisten kwamen echter ook in de vroegere periodes voor. Het bleek voor 107 van de 181 primaire graven mogelijk ze aan een periode toe te schrijven. Van 92 van deze graven was botmateriaal aanwezig voor fysisch antropologisch onder-oek. Hiervan konden 69 graven naar periode worden ingedeeld. Helaas bleek het overgrote gedeelte van de oudste begravingen te bestaan uit lijksilhouet-ten of er was zelfs geen skelet (meer) zichtbaar. Hetzelfde gold voor de graven uit de periode 1050-1400, al waren van deze periode de voor fysisch antropologisch onderzoek geschikte graven beter bewaard gebleven. De primaire begravingen uit de periode 1850-heden waren bijna allemaal goed geconserveerd. Onder primaire begravingen verstaan we menselijke overblijfselen die zich nog geheel of gedeeltelijk in anatomisch verband in de bodem bevinden. De individuen uit deze periode leverden dan ook de meeste informatie op. Hoewel het aantal onderzochte primaire begravingen voor elk deel van het fysisch antropologisch onderzoek te klein was voor representatieve uitspraken over de samenstelling, gezondheid en fysieke gesteldheid van de Woenselse bevolking is een poging hiertoe met dit onderzoek toch ondernomen. Het blijkt dat de Woenselse vrouwen in vergelijking met andere onderzoeken gemiddeld groter werden en mannen juist kleiner. Lichaamslengte is een betrouwbare indicator van de algemene gezondheidstoestand en dus van de sociaaleconomische en hygiënische toestand van een gemeenschap. De situatie die deze geringe hoeveelheid individuen schetst, is het tegenovergestelde van die bij het Catharinakerk-onderzoek. Daar werden de mannen juist langer en de vrouwen juist kleiner. Dit hoeft er niet op te wijzen dat mannen in slechtere leefomstandigheden verkeerden dan vrouwen, want mannen en vrouwen reageren hier verschillend op. Volgens fysisch antropoloog G. Maat moet er in de 20e eeuw een scherpe stijging in lichaamslengte te zien zijn, deze is wel bij de vrouwen gezien, niet bij de mannen. Het gebit vertelt ons dat het met de hygiëne van het gebit niet erg goed gesteld was: het percentage ante mortem tandverlies, cariës en periodontitis was in vergelijking met ander onderzoek erg hoog. Daarnaast had 50% van de onderzochte individuen glazuur hypoplasieën wat wijst op ziekte, stress of ontoereikende voeding tijdens de jeugd. 16% van de individuen had een deficiëntie ziekte, wat eveneens wijst op een ontoereikende voeding. Ook de Engelse ziekte, als gevolg van vitamine D gebrek, is gesignaleerd. Aan de skeletten zijn regelmatig degeneratieve gewrichtsafwijkingen aangetroffen, dit kan wijzen op een bevolking die moest werken om te bestaan. In tegenstelling tot deficiëntieziekten en degeneratieve gewrichtsafwijkingen, is bij een aantal individuen de veronderstelde welvaartsziekte (in vroeg stadium) D.I.S.H. vastgesteld. Concluderend kan gesteld worden dat er ‘van alles wat’ ligt begraven binnen het opgegraven gedeelte van het kerkhof bij de Oude Toren te Woensel: jong, oud, arm, rijk. Het opgegraven muurwerk vertelt ons dat de Sint-Petruskerk waarschijnlijk is gebouwd in het begin van de 15e eeuw. Na onderzoek bleek dat het koor en de toren in dezelfde periode of vlak na elkaar zijn gebouwd. De toren vertoont de kenmerken van de Kempische gotiek, torens in deze stijl werden gebouwd in de 14e en 15e eeuw. Daarnaast komt het baksteenformaat van het koor van de Sint-Petruskerk overeen met het baksteenformaat van het transept van de Sint Catharinakerk te Eindhoven en het baksteenformaat van het transept van de Sint Petruskerk komt overeen met het baksteenformaat van het koor van de Sint Catharinakerk te Eindhoven. Beide bouwfasen van de Sint Catharinakerk zijn door middel van optische gestimuleerde luminescentie globaal gedateerd tussen 1350-1450. Verder bestaat nog een niet meer controleerbare overlevering dat boven de ingang van de Woenselse kerk als stichtingsjaar 1419 stond. Tot slot bleek uit dendrochronologisch onderzoek dat het hout uit de kap van de toren gedateerd kon worden tussen 1501-1513. Het muurwerk van het koor bleek het oudste te zijn, de andere onderdelen zoals het transept, de puinfundering van de kooringang en de puinfundering van het middenschip zijn daar later tegenaan gezet. Het 15e-eeuwse koor heeft mogelijk een tijdje op zichzelf gestaan zodat de kerk kon blijven functioneren tijdens omvangrijke bouwwerkzaamheden. Een aanwijzing voor het tijdelijk functioneren als zelfstandige kapel is dat er geen vertande verbindingen zijn gevonden van het koor met andere onderdelen van de kerk. Daarnaast doet de kwaliteit van de puinfundering op de kooringang vermoeden dat daar een tijdelijke muur heeft gestaan. Het transept is opgebouwd met hergebruikte bakstenen die waarschijnlijk ouder zijn dan de bakstenen van het koor. Mogelijk is het transept opgebouwd uit bakstenen van een vroegere bakstenen kerk op deze plaats. Een andere aanwijzing voor een oudere kerk is een aantal graven dat in het koor werd opgegraven, maar werd oversneden door de muur van het 15e-eeuwse koor. Deze graven lagen er dus al voor de bouw van het koor en ze impliceren dat er voor deze kerk een andere kerk gestaan moet hebben. Ook de locatie, de dichtheid en de spreiding van deze oudste graven doen vermoeden dat deze buiten een oudere kerk hebben gelegen. Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat er een voorganger is geweest. Het is mogelijk dat de aangetroffen paalsporen onderdeel zijn geweest van een houten voorganger. In de nabijheid van het onderzoeksterrein heeft eerder een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn vooral nederzettingsporen uit de volle middeleeuwen gevonden. Het is dus ook mogelijk dat de paalsporen behoord hebben tot een nederzetting. Het is onduidelijk tot welke constructie deze paal-sporen hebben behoord. Binnen het koor op de as van de kerk is het onderste deel van een Elmpter voorraadpot gevonden. De pot is in een kuil gezet die speciaal voor deze pot in het dekzand is uitgegraven, want rondom de pot waren nauwelijks restanten van een kuil te herkennen. De prominente plaats die de pot inneemt in het koor (geometrisch en wat betreft de getallensymboliek), samen met het gegeven dat de pot veel ouder is dan de kerk, doet denken dat bij de bouw van de kerk een oudere kerk als uitgangspunt is genomen. Of nog preciezer, dat het heiligste object van de oudere kerk, namelijk het relikwie van een heilige, het uitgangspunt is geweest. Ook uit historische bronnen blijkt

Fields of Study & Subjects

Archaeology and ancient environmental studies Forensic Anthropology and Bioarchaeology Studies Maritime and Coastal Archaeology

Publication details

Journal / source
Data Archiving and Networked Services (DANS)
Publication date
18 August 2026
Language
NL